Voor de aanleg van bossen in Nederland was in het begin van de vorige eeuw veel zaad van de grove den nodig. Dit zaad werd verkregen door geplukte dennenkegels in de zon of in een bakkersoven te verwarmen, teneinde het zaad te kunnen winnen: het zogenaamde eesten. Om de productie hiervan te vergroten, wilde Staatsbosbeheer zelf een zaadeest bouwen. De eest gaf dan de mogelijkheid optimaal gebruik te kunnen maken van het zaad uit inlandse grove dennen. Door zo’n gebouw was men niet langer afhankelijk van de weersomstandigheden en van de beperkte capaciteit van de bakkersovens in Stroe en omgeving. Er was veel zaad nodig, want overal in Nederland was Staatsbosbeheer begonnen met het aanplanten van dennenbossen. Ook was er veel zaad nodig in de kwekerij Vogelenzang aan de Heetweg bij Kootwijk. Voor de locatie van de te bouwen zaadeest viel de keuze op een stuk grond bij Stroe.
Centrale verwarming
Houtvester E. Hesselink werd belast met het ontwerp en de bouw van de zaadeest. In november 1911 maakte bij een reis langs verschillende zaadeesten in Duitsland. De meesten zaadeesten daar maakten gebruik van hete lucht. Hij vond dat niet zo geweldig. Hesselink maakte een ontwerp voor een zaadeest dat doet denken aan centrale verwarming. In een tijd dat nog bijna niemand van centrale verwarming had gehoord, was het ontwerp heel bijzonder. Het systeem garandeerde een vrij constante temperatuur die veiliger was dan alle andere zaaddrogerijen. Het plan van Hesselink voor de bouw van een Rijkszaadeest zat gedegen in elkaar. Op 26 augustus 1912 vond in logement ‘Bunt’ in Stroe de aanbesteding plaats. Bouwbedrijf D.J. Wagensveld uit Barneveld was de laagste inschrijver en mocht voor f 3.200,- de zaadeest gaan bouwen. De oven werd brandvrij en rookdicht gemaakt om brandgevaar te vermijden. In februari 1913 werd het gebouw opgeleverd. Hesselink wilde geen tijd verliezen en begon direct de zaadeest te testen. De oven werd gestookt met cokes. Ook werden dennenappels gebruikt, maar dan moest de kachel om het kwartier worden gevuld. De oven moest in de winter ook ’s nachts branden om het verwarmingssysteem vorstvrij te houden. In het seizoen 1912-1913 werd 185 kilo zaad van grove dennen geëest. Met het revolutionaire ontwerp van de zaadeest trok Hesselink nationale en zelfs internationale belangstelling.
Dienstwoning
Naast de zaadeest werd een dienstwoning gebouwd voor eestbaas Aalt van de Steeg en zijn gezin. Omdat de lonen laag waren, werd aan het huis een klein deel gebouwd voor een koe en een geit, zodat de eestbaas er wat bij kon ‘boeren’. Ook werd gezorgd voor een stukje grond en een hooiberg.
Bij de zaadeest werden later twee zogenoemde kegelschuren gebouwd. Hierin werden de kegels soms maandenlang bewaard totdat ze konden worden geëest. De wind kon van alle kanten door de kegelschuren waaien. Op die manier bleven de kegels in de geschikte vorm.
In de Tweede Wereldoorlog werd het steeds moeilijker om de kachel van de eest van brandstof te voorzien. Ook de nabijheid van de spoorlijn bleek in de oorlog een nadeel te zijn. Er waren geregeld bombardementen. In oktober bestookten Engelse vliegtuigen een munitietrein die bij Stroe op een zijspoor stond. Dit had een reeks explosies tot gevolg. De zaadeest en de bijgebouwen werden hierbij behoorlijk beschadigd. Na de oorlog werd de eest hersteld en gemoderniseerd.
Industrieel monument
In 1962 werden plannen ontwikkeld voor een nieuw eestgebouw met een moderne, olie gestookte eestinstallatie. Het uitgangspunt was: een grotere capaciteit, wat door een sneller eestproces kon worden bereikt. Het plan was al in een vergevorderd stadium, maar door verschillende oorzaken ging de verbouwing niet door. De belangrijkste oorzaak was het teruglopen van de benodigde hoeveelheid zaad van grove dennen en andere coniferen. Er deden zich namelijk grote veranderingen voor in de bosbouw. Er werd veel minder bos aangeplant. Ook in de nabijgelegen boswachterij Kootwijk koos Staatsbosbeheer voor natuurlijke verjonging, waarbij de bestaande bomen zelf, door middel van hun zaad, voor jonge boompjes moesten gaan zorgen.
Niettemin ging de eestwerkzaamheden met de oude apparatuur op kleinere schaal door. In 1988 vond er een reorganisatie plaats bij Staatsbosbeheer. Hierdoor kwam de functie van technisch medewerker zaad- en plantsoenvoorziening te vervallen. Gezien de genoemde ontwikkeling en de dalende behoefte aan naaldhoutzaden besloot Staatsbosbeheer de activiteiten van de Rijkszaadeest in Stroe te beëindigen. Op 1 februari 1989 werd, na 75 jaar, de laatste partij dennenkegels geëest.
Het gebouwencomplex werd niet afgebroken. Het is een ‘industrieel monument’ van de Nederlandse bosbouwhistorie. Door inspanningen van mensen die de historische waarde van de zaadeest hebben ingezien, staat het gebouw al enige tijd op de monumentenlijst van de gemeente Barneveld en sinds 1998 is het ook aangemerkt als Rijksmonument. Inmiddels zijn er plannen om de Rijkszaadeest nieuw leven in te blazen. Een financiële bijdrage van Staatsbosbeheer wordt gebruikt om de Rijkszaadeest aan te passen aan het ontvangen van groepen mensen.
